Schinnen

Schinnen maakt deel uit van het Heuvelland Noord. Voorheen werd Schinnen tot de Westelijke Mijnstreek gerekend. De hoofdplaats is het gelijknamige kerkdorp Schinnen. Schinnen zal met de naburige gemeenten Nuth en Onderbanken op 1 januari 2019 fuseren tot de nieuwe gemeente Beekdaelen. Tot 1981 was het dorp Schinnen een zelfstandige gemeente. Als gevolg van een gemeentelijke herindeling is Schinnen in het jaar daarna fors uitgebreid. Sindsdien telt de fusiegemeente Schinnen 6 dorpen en 9 buurtschappen en gehuchten, waarvan 3 gedeeltelijk in een andere gemeente zijn gelegen. De gemeente grenst aan de gemeenten Sittard-Geleen en Selfkant in het noorden, Onderbanken, Brunssum en Heerlen in het oosten, Nuth in het zuiden en Beek in het westen. Het kerkdorp Schinnen kent geen echt winkelcentrum, dit in tegenstelling tot de kerkdorpen Amstenrade en Oirsbeek waar veel meer winkels zijn gevestigd.

Geschiedenis van Schinnen

Op het plateau tussen Puth, Schinnen en Sweikhuizen zijn resten gevonden van een tijdelijk verblijf van jagers uit de laatste ijstijd (het Weichselien). In Thull en op de rond van de Thullerheide met Vaesrade lagen reeds Romeinse boerderijen, waarvan de resten in Vaesrade nog in de bodem als archelologisch reservaat bewaard blijven. Die van Thull zijn in musea in Sittard en Leiden bewaard. Ook in de toren van de Sint-Dionysiuskerk zijn resten van een Romeinse toren te zien: een kapiteel en sigillata, tegelresten. Er leefden dus reeds mensen voordat de naam van het dorp ontstond. Een ridder Jan van Scinne valt in Jeruzalem tijdens een der kruistochten. Het dorp Schinnen is in de Vroege Middeleeuwen ontstaan tegen de helling van de Moutheuvel als oud domeingoed.

De Sint-Dionysiuskerk in het dorp dateert ten minste uit de Karolingische tijd en is als eigenkerk gesticht. De band tussen Schinnen en het kasteel Terborgh is oud en gaat mogelijk op de oude domeinorganisatie terug. Terborgh bezat aantoonbaar vanaf de dertiende eeuw een groot aantal laatgoederen in het dorp. In diezelfde periode gaat Schinnen deel uitmaken van het land van Valkenburg. Het huis Valkenburg bezit vervolgens enkele laatgoederen in Schinnen. Belangrijker is het gegeven, dat de heerlijkheid Schinnen leenroerig wordt aan het huis Valkenburg. Het leengoed Achter den Kerck in het dorp wordt een leengoed van Valkenburg. Het blijft eeuwenlang een belangrijk goed.

Vanaf de veertiende eeuw ontstaan er verschillende laatgoederen van het kasteel Reijmersbeek in de dorpskom van Schinnen. Reijmersbeek behoorde niet tot de heerlijkheid Schinnen, maar wel tot de parochie van Sint-Dionysius. Aannemelijk is, dat in de twaalfde en dertiende eeuw vanuit Schinnen grote delen van het omliggende heuvelland werden ontgonnen. In die tijd ontstonden gehuchten als Wolfhagen, Puth en Hegge. Zij bleven tot de heerlijkheid Schinnen behoren. Ook ontstond in die tijd nabij het kerkdorp de belangrijke pachthoeve Krekelberg in buurtschap Krekelberg. Vanaf de zestiende eeuw blijkt het dorp Schinnen uit twee buurtjes te bestaan: ‘De Valderen’ rond de kruising van de Altaarstraat en Dorpsstraat en het buurtje ‘Achter den Kerck’ nabij de gelijknamige hoeve. Dit minuscule dorpje, dat kleiner was dan een gehucht als Nagelbeek, nam wegens zijn religieuze functie een belangrijke plaats in binnen de oude heerlijkheid Schinnen. In de achttiende eeuw groeiden deze buurtjes rond de kerk aan elkaar vast en vond er uitbreiding plaats in de richting van het huidige Schuiteneinde.